Fietsen in Amsterdam

Voor de mensen die in Amsterdam wonen is het dagelijkse kost. Voor degenen die het nooit eerder hebben meegemaakt, wil ik jullie bij deze kennis laten maken met het volgende angstaanjagende fenomeen: Het fietsverkeer in Amsterdam. Kennen jullie die famous quote van Forrest Gump nog? ‘Fietsen in Amsterdam is like a box of chocolates, you never know what you’re gonna get’. Die Forrest weet waar hij het over heeft, want fietsen in Amsterdam is elke dag weer een nieuw avontuur. Voor je op de fiets stapt, weet je niet wat er de komende paar minuten op je af gaat komen. Godmiljaar, wat ben ik elke keer weer zenuwachtig voor ik mijn tweewieler bestijg. Het openbaar vervoer is natuurlijk ook een optie, maar aangezien ik mensenschuw ben, is de fiets mijn beste optie.

Je kunt jezelf eigenlijk geen echte Nederlander noemen als je niet kan fietsen. Onze ouders leren ons op vroege leeftijd al om het ding te berijden. Ik weet nog goed de eerste keer dat ik leerde fietsen en met volle vaart de struiken van de buren in ben geracet. Toen ik het vervolgens een beetje onder de knie dacht te hebben, reed ik vervolgens in het verkeer bijna twee keer dezelfde politieagente aan. Gelukkig kon de agente niet lang boos blijven op de achtjarige ikke en kwam ik er met 120 uur taakstraf goed vanaf.

Ik heb in de tussentijd geen agentes en struiken meer aangereden (even exclusief mijn dronken fietsescapades gerekend) en heb ik heel veel op mijn fietsie geoefend. Bijna elke dag fietste ik heen en weer van huis naar school en ben ik wekelijks heel Zaandam doorgereden om alle party’s af te gaan. Ik kan ’t dus wel dacht ik altijd en ik beschouwde mijzelf een volwaardig fietser. In Amsterdam viel deze titel in duigen.

Je moet over lijken gaan om te overleven en toch binnen de gewenste tijd op de plek van bestemming aan te komen op de fiets in Amsterdam. Het gevolg hiervan is, is dat ik mijn rijskills drastisch heb moeten aanpassen en dat ik tot een paar conclusies ben gekomen. Naast bijvoorbeeld de tramrails waar je omheen moet slalommen, is er één groter obstakel waar je onmogelijk omheen kan: de toerist. Je moet begrijpen dat ik een tolerant persoon ben, ik accepteer iedereen en zelfs het meest onaardige persoon kan ik moeilijk haten. Maar toeristen halen het bloed onder mijn nagels vandaan. Van toeristen word ik een brutale egoïstische duivel op twee wielen.

 

Nina op de fiets in Amsterdam

Nina op de fiets in Amsterdam

Wanneer de toeristen de grenzen van Amsterdam over zijn gestoken, lijkt het wel of ze daarbij al hun eigen grenzen hebben laten varen en plotseling schijt hebben aan alle verkeersregels. Fietspad? Wat is dat? Eerst om me heen kijken voor ik de weg oversteek? Never heard of. Een zebrapad lijken ze dan wel weer al te goed te kennen en ze claimen dit dan vervolgens ook als heilig erfgoed. Op elk zebrapad staat minstens één toerist die net besluit daar zijn kaart te lezen of zijn jointje te draaien. Je begrijpt dus wel dat je als fietser de waarde van een zebrapad niet meer serieus kan nemen. Lekker keihard doorracen dus.

De gemiddelde toerist in Amsterdam

De gemiddelde toerist in Amsterdam

Als ik terugkijk op de tijden dat ik nog rustig op m’n fietsje door Zaandam rolde, krijg ik het schaamrood op mijn kaken bij het idee dat ik dacht dat ik wel kon fietsen. Maar hell no. Ik heb zo veel nieuwe soorten gradaties omtrent het ‘fietsverkeer’ in dit landje geleerd, dat ik mezelf nu pas een geavanceerd fietser mag noemen. Ik ben zo goed geworden in fietsen en multitasken tegelijk. Zo kan ik recht blijven rijden terwijl ik zachtjes toeristen met mijn handen voor me uitduw, omdat ik nog steeds geen fietsbel heb aangeschaft. Daarnaast kan ik met gemak een spookrijdende zwerver-hippie die al fietsend een joint draait ontwijken terwijl ik een toerist naast me in zijn oor fluister dat hij zijn vakantie godverdomme niet op mijn fietspad moet vieren.

Natuurlijk blijft zo’n talent voor veel anderen in het verkeer niet onopgemerkt. Vaak krijg ik de ergste scheldwoorden naar mijn hoofd geslingerd, omdat ze zo jaloers zijn op mijn rijskills. Oh well, ik ben in ieder geval heelhuids binnen de tijd op mijn bestemming aangekomen. Bitch, I’m flawless.

ONGESTELD

Ongesteld zijn, het is maar een vreemde gewaarwording. Er komt bloed uit je kut en dat is kut. Als het alleen om het bloeden ging, had ik er niet over lopen zeiken. Bloed is eigenlijk altijd best wel stoer geweest en draagt bij aan je street credibility. Het gaat er hier vooral om wat er met dat bloeden gepaard gaat. Buikpijn (hels), vreetbuien (chocola), puisten en de hierop volgende huilbuien. Je huilt om eigenlijk alles wat tegenzit wanneer je ongesteld bent. Wanneer ikzelf de rode duivel op bezoek heb, moet ik al huilen om de kleinste dingen. Ik heb bijvoorbeeld wel eens (echt waar) gehuild om die ene WNF-reclame, waarin alle visjes in een groot net worden gevangen en ze vervolgens worden bevrijd door de zeester. Zie hier:

Tranen met tuiten. Waarom ik juist op dat moment er zo om moet huilen weet niemand. Misschien komt het door het mooie liedje. Misschien komt het omdat ik zoveel van vissen hou. Only my baarmoeder may know. Het enige voordeel aan ongesteld worden, is dat je weet dat je geen baby in je nu nog strakke buik draagt. Maar na die ene dag bloeden, is die boodschap ook wel duidelijk.

tumblr_nb6u58yzHe1tkxoefo1_500

Het praten over ongesteld zijn is ook niet altijd erg stoer geweest. Wanneer je je hoofd stoot tegen de punt van de kast en er vervolgens een straal bloed uit het gat van je hoofd sijpelt, is dat stoer. Als je in een gevecht raakt met je kat genaamd Tijger, en vervolgens een enorme haal van zijn klauw in je gezicht krijgt, waardoor er enkele stralen bloed uit je gezicht spuiten, is dat stoer. Wanneer er bloed uit je kut sijpelt of spuit… Ew, niet zo stoer.

Als klein meisje word je je daar al bewust van gemaakt. Er worden je nette woorden aangeleerd om hierover te spreken, zonder je street cred kwijt te raken. Ik weet nog heel goed, toen ik elf jaar was en in het ziekenhuis lag en ik onderzocht werd door een dokter. Terwijl hij druk met zijn stethoscoop naar mijn buik aan het luisteren was, vroeg hij aan mij: ‘Ovuleer je al?’. Wat? Ovuleren? Dat is toch wat een Pokémon doet als hij naar een ander dier veranderd? Met grote ogen keek ik de man aan. Geïrriteerd vroeg hij: ‘Menstrueer je al?’. Daar had ik al helemaal nooit van gehoord. Vervolgens was mijn moeder de geïrriteerde persoon in de kamer, die heel goed begreep dat een meisje van elf jaar niet weet wat deze woorden betekenen. ‘Nee, ze is nog niet ONGESTELD’ zei ze tegen de dokter. Oh, ‘ongesteld’ was dus blijkbaar een woord dat je liever niet gebruikt.

Met mijn vriendinnetjes op de middelbare school zetten we deze gewoonte voort. Op mijn dertiende ovuleerde ik voor de allereerste keer (ongesteld dus). Even leuk om erbij te vermelden, dat mijn beste vriendin op exact dezelfde dag ook voor de allereerste keer ongesteld werd.

on plaatje

Supercool verhaal natuurlijk, maar niet echt een verhaal dat je vertelt aan je crush op wie je al het hele jaar verliefd bent. ‘Mijn vriendin en ik begonnen op dezelfde dag voor het eerst te vloeien…’, waarop je crush reageert: ‘Bedoel je vloeitjes? Van een sigaret? Cool!’ ‘Nee ik bedoel dat we samen voor het eerst ongesteld werden’ *crush valt flauw*. Hij zal hierna voortaan met een straal van minstens vijf meter om je heen lopen. We verzonnen dus ook codenamen voor het ongesteld zijn, zodat de leuke jongens in ieder geval nog naast je durfden te staan. ‘Oma is op bezoek’ was er eentje van. We kenden de uitspraak  ‘opoe is op bezoek’, maar dat vonden we obviously nergens op slaan, aangezien opoe naar een man lijkt te refereren. En een man heeft een piemel, en weet ob-vi-ous-ly niet ‘waar ongesteld zijn’ over gaat. Tampons noemden we tampony’s (Ken je dat raadsel? Het is rood en staat in de wei…) en maandverband had geloof ik ook een minder ranzige codenaam.

Wat ik eigenlijk wil zeggen, is dat ik het stom vind dat het toch nog steeds als een soort taboe aanvoelt om over ongesteldheid te praten. En dan vooral tegenover jongens. Want hoeveel ze ook hun best doen om het te begrijpen, vinden ze het eigenlijk allemaal maar een vreemde, onbegrijpelijke bedoeling. Eigenlijk schept het ook wel een soort band tussen vrouwen om hierover alleen met elkaar te kunnen praten. Wanneer je ’s ochtends bij het koffiezetapparaat staat op je werk kun je lekker tegen elkaar zeiken over je ongesteldheid. ‘Oh Joke, ik was vanochtend toch weer zo aan het bloeden!’, ‘Oh meid, vertel mij wat! Ik heb er deze ochtend wel minstens drie tampons doorheen gejast!’ ‘Nee dat méén je niet! Wat hebben we het toch zwaar hè als vrouwen, laten we ons in de pauze ongegeneerd volstoppen met m&m’s!’. Toch zou ik het liefst zien dat je er met mannen ook gewoon over kunt praten, zodat ik weer extra mensen in mijn omgeving heb waar ik tegen kan zeuren over mijn poenie als ik m’n oma op bezoek heb.